“Liberalisering van de moraal rechtvaardigt de opheffing van de douanebarrières, individualisme op basis van identiteit rechtvaardigt financieel egoïsme, progressivisme tot elke prijs opent de weg naar gedwongen modernisering”…

Inleiding tot het denken van Jean-Claude Michéa

T. BOUQUET, 17 december 2021 

Jean-Claude Michéa is een Franse filosoof. Zijn werk, dat meer dan een kwart eeuw beslaat en een vijftiental boeken omvat, vormt een kritische analyse van de “liberale beschaving” (1). Ik ontdekte hem begin 2017, toen zijn boek ‘Notre ennemi: le capital’ (2) uitkwam. Voor het eerst was er iemand die mij de hedendaagse samenleving uitlegde op een duidelijke, allesomvattende manier die overeenstemde met wat ik aan het bekijken was. De filosofische logica die schuilgaat achter de schijnbare chaos van de moderne wereld wordt kristalhelder wanneer je Michéa leest. Daarom heb ik het op mij genomen het gedachtegoed van deze auteur – waarvan ik de meeste boeken inmiddels meerdere malen heb gelezen – die een belangrijke figuur van onze tijd is, samen te vatten en zijn voornaamste concepten uiteen te zetten.

Jean-Claude Michéa

Voorstelling van de auteur

Jean-Claude Michéa werd geboren in 1953 uit communistische ouders. Hij groeide op in Parijs, in het 12e arrondissement. Het was na het lezen van Lenins ‘Materialisme en Empiriokriticisme’ (op 14-jarige leeftijd!) dat hij besloot filosofie te gaan studeren (4). Hij behaalde zijn aggregaat in 1972 (5) en verhuisde daarna naar Montpellier. Hij heeft het grootste deel van zijn carrière doorgebracht in het Lycée Joffre, nadat hij altijd geweigerd had les te geven aan de universiteit omdat “filosofie onderwijzen […] aan toekomstige filosofen is […] als een bakker die alleen brood zou bakken voor andere bakkers” (6). Hij publiceerde zijn eerste boek ‘Orwell, anarchiste tory’ (7,8) in 1995 op basis van een artikel dat hij twaalf jaar eerder had geschreven (9). Michéa is in feite een specialist van de Britse schrijver (10). Hij citeert ook vaak Karl Marx, Christopher Lash (een Amerikaanse denker die in 1995 overleed en die Michéa in Frankrijk bekend heeft helpen maken), en Guy Debord, de auteur van ‘La Société du Spectacle’. Hij is nu gepensioneerd bij het Franse Ministerie van Onderwijs en leeft volgens zijn ideeën tegen het groei-denken op een boerderij in de Landes (11).

Laten we meteen duiken in wat we de “Michéaanse thesis” zouden kunnen noemen. Vooraf moet ik erop wijzen dat de synthese van een filosofisch werk dat meer dan vijfentwintig jaar omspant, mij er uiteraard toe dwingt om kortere wegen te bewandelen en vereenvoudigingen aan te brengen. Maar dit artikel is alleen bedoeld om mensen Michéa te laten lezen. Je hoeft zeker niet tevreden zijn met wat ik erover zeg.

Het ontstaan van het kapitalisme:

Het trauma van de godsdienstoorlogen

In het kader van zijn kritische analyse van de kapitalistische samenleving voert Michéa het begin van de moderniteit terug tot de godsdienstoorlogen die Europa in de 16e en 17e eeuw teisterden. Deze oorlogen waren burgeroorlogen, en een burgeroorlog is per definitie de-socialiserend. Terwijl een oorlog tegen een externe vijand de banden tussen de burgers kan versterken, is er in een burgeroorlog sprake van “zoon tegen vader en broer tegen broer” (12).

Het trauma van deze oorlogen heeft verschillende gevolgen:

In de eerste plaats het idee dat “de mens een wolf is voor de mens ” (13), dat de mens niet in staat is moreel te leven. Dit is de basis van de pessimistische antropologie van de moderniteit (14). Volgens deze antropologie is de mens geen sociaal en politiek dier (15), maar een zuiver individu, wiens enige drijfveer het nastreven van zijn eigen belang is. Dit idee wordt door Michéa betwist door het Orwelliaanse begrip “common decency” (nvdr. “goede zeden”) toe te passen.

In de tweede plaats is er de begrijpelijke wens om koste wat kost een terugkeer van de burgeroorlog vermijden. Zo ontstaat het idee dat, aangezien mensen elkaar doden in naam van het Goede, de Staat axiologisch neutraal (16) moet zijn (d.w.z. niet gebaseerd op enige morele, religieuze of filosofische waarde). Dit is de basisgedachte van het liberalisme: iedereen heeft het recht om absoluut te leven zoals hij wil.

Anderzijds gaat de pessimistische antropologie van de modernen gepaard met een optimisme in de krachten van de rede, of nauwkeuriger gezegd in die van de wetenschappelijke rationaliteit, waarvan de ontluikende experimentele fysica, van Galileo tot Newton, een geprivilegieerd model bood (17). Vanuit dit gezichtspunt is het mogelijk het egoïsme van individuen te richten op de verbetering van het lot van de mensheid18. Het ongebreidelde winstbejag (d.w.z. het streven naar rijkdom, macht en roem), en de wijdverspreide concurrentie die dit met zich meebrengt, dwingt de actoren tot voortdurende innovatie (om concurrerend te blijven); dit is de oorsprong van de ideologie van de Vooruitgang.

Laten wij nu deze drie kernbegrippen van Michéa’s denken nader uitwerken.

De eenheid van het liberalisme

Liberalisme is (zoals we hebben gezien) ontstaan in de context van de godsdienstoorlogen en is het idee dat iedereen het absolute recht heeft te leven zoals hij wil. Met andere woorden, het is een privatisering van morele, religieuze of filosofische waarden (19). Het idee lijkt – op het eerste gezicht – aantrekkelijk: iedereen leeft volgens zijn eigen waarden zonder die aan anderen op te leggen, met als enige grens de vrijheid van anderen. Het probleem is dat de mens geen Robinson op een onbewoond eiland is, maar een wezen dat in de maatschappij leeft. Hoe kunnen wij dan de conflicten en vragen die het samenleven oproept, oplossen en beslechten? De actualiteit stelt ons voortdurend voor een groot aantal controverses die de liberale staat niet kan oplossen. Moeten we de vrijheid van mannen om vrouwen “lastig te vallen” bevoorrechten (zoals een beroemde petitie in Le Monde het formuleerde) of de vrijheid van vrouwen om niet lastig gevallen te worden? De vrijheid van de atheïsten van Charlie Hebdo om een karikatuur van Mohammed te maken of het recht van moslims om niet beledigd te worden door een cartoon? Het recht van een kind om zijn of haar ouder te kennen of het recht van lesbiennes op kunstmatige bevruchting via anonieme donor? Enz. Wanneer alle gemeenschappelijke waarden zijn geëlimineerd, is het bijna onmogelijk om een duurzaam antwoord op al deze vragen te vinden (20).

Dit recht op absolute individuele vrijheid heeft twee modaliteiten: enerzijds een politiek en cultureel, anderzijds een economisch. Met andere woorden, het liberalisme is een dubbele invoertabel (21): het absolute recht om te doen wat men wil met zijn leven en zijn lichaam, dat Michéa het cultureel liberalisme noemt en dat tegenwoordig meer door links wordt bepleit, en het economisch liberalisme, d.w.z. het absolute recht om te doen wat men wil met zijn geld, dat meer door rechts wordt bepleit. In werkelijkheid zijn deze twee liberalismen één en dezelfde; of beter gezegd, het ene leidt altijd tot het andere en vice versa.

Als men – volgens het economisch liberalisme – het recht zou moeten hebben om alles te produceren, te verkopen en te kopen wat geproduceerd, gekocht of verkocht kan worden, dan zou geen enkele traditionele waarde de handel in de weg mogen staan. Zolang vrouwen bijvoorbeeld financieel afhankelijk waren van mannen (geen eigen loon konden innen, niet konden werken of een bankrekening konden openen zonder de toestemming van hun echtgenoot, enz.), was dit een markt minder voor het kapitalisme. En het is zeker geen toeval dat juist op het moment (eind jaren zestig) dat vrouwen juridische en economische zelfstandigheid verwierven, de vrouwenmode een hoge vlucht nam. Het is dus vooral in het belang van de markt dat de vrouwen zich hebben kunnen emanciperen (22). Het was om soortgelijke redenen dat liberalen streden tegen de segregatie in Amerika en de apartheid in Zuid-Afrika. Het is daarom absurd om, zoals links en uiterst links doen, feminisme en antiracisme (of anti-homofobie) te zien als intrinsiek antikapitalistische strijd (welke verdiensten men er anders ook in mag zien).

Vanaf het moment dat ieder mens – volgens het cultureel liberalisme – het recht heeft met zijn leven te doen wat hij wil, en dus te leven volgens zijn eigen waarden, zonder zich te bekommeren om de mening van anderen, betekent dit ook dat er geen gemeenschappelijke en gedeelde waarden meer zijn. En wat blijft er over om deze burgers te verenigen die geen morele waarden of gemeenschappelijke culturele referenties meer hebben? Alleen de markt. Het is dus duidelijk dat het economisch liberalisme (dat de afschaffing door de staat eist van alle grenzen aan de expansie […] van de markt en de concurrentie) en het cultureel liberalisme (dat de afschaffing door de staat eist van alle grenzen aan de expansie […] van de rechten van het individu en van “minderheden”) – vanuit filosofisch gezichtspunt – logisch gezien onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn (23). Het liberalisme is een Möbiusstrook (dit is het beeld dat Michéa gebruikt): een strook waarvan de twee zijden, die voor het ongeïnformeerde oog tegengesteld lijken, in werkelijkheid één en dezelfde zijn, want als je met je vinger langs de ene zijde van de strook glijdt, kom je onvermijdelijk op de andere terecht.

De scheidslijn tussen links en rechts zoals die vandaag de dag functioneert, is dan ook absurd. Het is bovendien, en heel coherent, enigszins ondermijnd sinds de verkiezing van Emmanuel Macron, die de twee liberalismen synthetiseert: enerzijds het pro-zakelijke economische beleid (Start-Up Nation) en anderzijds de verdediging van het multiculturalisme (er bestaat niet zoiets als de Franse cultuur! verklaarde Macron tijdens de campagne van 2017). Macron is de anti-Michéa bij uitstek. Hij maakt aanspraak op net datgene wat de filosoof aan de kaak stelt.

President Macron symboliseert de heersende politieke elite in Europa: economisch liberaal marktgericht (“rechts”), cultureel liberaal individualisme (“links”). De anti-Michéa bij uitstek.

De religie van de vooruitgang  

Eén van de grote verdiensten van het denken van Michéa is dan ook het herstel van de filosofische eenheid van het cultureel liberalisme en het economisch liberalisme, die de politieke en mediale retoriek (om niet te zeggen de propaganda…) tracht te verbergen. Een andere is om links radicaal te onderscheiden van het socialisme. Radicaal, dat wil zeggen, door naar de wortel van de dingen te gaan. Michéa wijst erop dat geen van de eerste socialistische theoretici (noch Marx, noch Proudhon, noch Bakoenin, noch Fourier, noch Rosa Luxemburg…), in hun verscheidenheid van benaderingen en opvattingen, zichzelf ooit heeft gedefinieerd als een man (of vrouw) van links. Pas tijdens de Dreyfus-affaire werd een alliantie gevormd tussen de burgerlijke republikeinen (met andere woorden “links”) en de socialisten tegen rechts, dat toen monarchistisch en klerikaal was, om de republiek te redden. Dit bondgenootschap was aanvankelijk louter defensief bedoeld, maar zou uiteindelijk permanent worden (vooral toen nieuwe gevaren, zoals het fascisme, de kop opstaken), waardoor het etiket “links” (24) een nieuwe betekenis (vol tegenstrijdigheden) kreeg. Voorafgaandelijk zijn de twee begrippen nogal verschillend, waarbij links en socialisme op een aantal punten uiteenlopen, onder meer wat hun verhouding tot het verleden betreft.

Links heeft zich altijd voorgesteld als het kamp van de Vooruitgang tegen de Reactie. Zij ziet zichzelf als de Partij van morgen (d.w.z. de Partij van Moderniteit, Verlichting en Wetenschap) tegen het obscurantisme van het verleden. Het socialisme daarentegen heeft een veel meer dialectische relatie met het verleden. Zij verscheen in de 19e eeuw, midden in de industriële revolutie, en beweerde aanvankelijk te strijden tegen een totaal nieuwe en nooit eerder in de geschiedenis voorgekomen vorm van uitbuiting: het kapitalisme. Hoewel de overgrote meerderheid van de socialisten dus instemde met wat de Verlichting had gebracht (gelijke rechten, de val van de absolute monarchie, de secularisatie van de samenlevingen, enz.), wilden zij tegelijkertijd de nieuwe vervreemdingen aan de kaak stellen die het gevolg waren van de liberale moderniteit.

Het naïeve geloof van het linkse progressivisme (het verleden is slecht, de toekomst is goed), dat Michéa het Orpheuscomplex (25) noemt, heeft tot gevolg dat alles wat uit het verleden komt naar het kamp van de Reactie – en dus van het Kwaad – wordt gestuurd en alles wat als “modern” wordt beschouwd naar het kamp van het Goede. Orwell ironiseert: “Aan de ene kant de wetenschap, de rationele orde, de vooruitgang, het internationalisme, de vliegtuigen, het staal, het beton, de hygiëne; aan de andere kant de oorlog, het nationalisme, de godsdienst, de monarchie, de boeren, de Griekse onderwijzers, de dichters, de paarden (26). Zo bezien lijkt het vanzelfsprekend dat het noodzakelijk is […] de [moderniteit] in haar contingente complexiteit te beschouwen en haar krachtlijnen en articulaties te ontwarren om datgene wat daarin de mensen emancipeert en wat hen vervreemdt […] te kunnen onderscheiden (en dus, als tegenwicht, wat in het erfgoed van het verleden kan of moet worden bewaard) (27).

Het is duidelijk dat Jean-Claude Michéa elke historische noodzaak ontkent. Er zijn dingen die veranderd moeten worden (en Michéa, trouw aan zijn communistische afkomst, blijft een revolutionair), net zoals er dingen uit het verleden zijn die bewaard moeten blijven. Temeer daar de termen “conservatief” (zij die de bestaande toestanden zouden willen handhaven) en “reactionair” (zij die “achteruit” zouden willen gaan) geen vanzelfsprekende definitie kunnen geven van de denkrichtingen, indien men eerst een theorie van vooruitgang en van de zin van de geschiedenis aanhangt (28). Er is geen zin van geschiedenis. Geschiedenis is het resultaat van menselijk handelen. En in een klassenmaatschappij zijn de maatschappij en haar evolutie natuurlijk in de eerste plaats het resultaat van de beslissingen van de heersende klassen. En als bij toeval komt datgene wat als onontkoombare Vooruitgang wordt voorgesteld bijna altijd overeen met de belangen van de heersende klassen.

Zeker en vast stonden Marx (behalve op het einde van zijn leven (29)) en de orthodoxe marxisten (de marxistisch-leninisten in het bijzonder) natuurlijk positief tegenover de technologische Vooruitgang en het machinisme, in tegenstelling tot andere stromingen van het socialisme (libertairen, Luddieten…) die veel kritischer waren en op dit punt de voorkeur van Michéa hebben. Toch vonden zij niet dat zij het verleden moesten uitwissen om een betere toekomst op te bouwen. De “cancel-culture” (zoals we tegenwoordig zeggen) is geen socialistische gedachte of praktijk. Integendeel, het is een zuivere schepping van het bourgeois liberalisme. Het is omdat zij de Mens van nature als een zuiver onafhankelijk individu zien, en daarom in elke sociale band – anders dan contractueel of commercieel – een ondraaglijke beperking van de onaantastbare individuele vrijheid, dat liberalen een hekel hebben aan elke vorm van verworteling in een plaats of een Geschiedenis.

Voor alle duidelijkheid, Michéa’s verzet tegen de “religie van de vooruitgang” (zoals hij het noemt) impliceert niet de afwijzing van alle “vernieuwing”. Het moet echter eenvoudigweg niet worden opgelegd als vanzelfsprekend, noodzakelijk goed en in elk geval onvermijdelijk.

Het goed fatsoen  (“Common decency”)

Na deze analyses komen we op een punt waarop we tegen Michéa zouden willen zeggen: “Kritiek leveren is prima, maar wat stelt u voor, kameraad? Ook al is dit niet het deel dat de filosoof het meest ontwikkelt (en sommige lezers, waaronder ik, zouden soms willen dat hij wat uitvoeriger was over het deel “voorstellen”), het is duidelijk dat voor hem het antikapitalisme nooit losgekoppeld mag worden van de moraal van degenen die eronder staan.

Jean-Claude Michéa deelt met Winston Smith (de “held” van 1984) de overtuiging dat als er hoop is, deze aan de kant van de proletariërs ligt (30). De reden waarom het werkelijk bestaande socialisme is afgegleden naar totalitarisme is dat zijn leiders er niet in zijn geslaagd (bewust of onbewust) te vertrouwen op “het goed fatsoen”, d.w.z. het gewone fatsoen van de gewone mensen. Dit laatste begrip [de gewone man /the common men] […] heeft, in Orwells terminologie, een veel preciezere betekenis dan het lijkt. Het duidt al diegenen aan (in de eerste plaats natuurlijk de arbeiders) die niet als klasse deelnemen aan de overheersing van hun medemensen (en die, het moet worden benadrukt, er niet naar streven er als individu aan deel te nemen) (31). Dit gemeenschappelijk fatsoen, dat voortkomt uit de levensomstandigheden van de proletariërs, wordt door Orwell omschreven als een “natuurlijke” neiging tot loyaliteit, afwezigheid van berekening, vrijgevigheid, haat tegen voorrechten (32).

Michéa vindt de wortels van deze opvatting in het werk van de antropoloog Marcel Mauss, auteur van een Essay over de gift. Mauss toont aan dat primaire sociabiliteit gebaseerd is op de logica van de gift, d.w.z. op de drievoudige verplichting om te geven, te ontvangen en terug te geven. Markt- en contractuele betrekkingen zijn secundaire vormen van sociabiliteit die niet in alle samenlevingen bestaan. Laten we een eenvoudig voorbeeld nemen: als je een vriend belt om te verhuizen, waarom bewijst hij jou dan een dienst? Hij is hiertoe niet verplicht door enige juridische overeenkomst, noch heeft hij er enig economisch belang bij om dit te doen. Maar de (ongeschreven) wetten van vriendschap impliceren dat hij je moet helpen als je dat nodig hebt. En als hij een tijdje later verhuist, waarom zou je hem dan een wederdienst bewijzen? Omdat je een morele ‘schuld’ bij hem hebt. U hebt van hem een gift ontvangen (in dit geval een gratis verleende dienst) en u voelt zich schatplichtig jegens uw vriend: u voelt dat u hem iets moet teruggeven. Vrijgevigheid, erkenning, dankbaarheid, dit is de antropologische rots (33) die ten grondslag ligt aan menselijke relaties. Dit is een radicale uitdaging voor de liberale antropologie, volgens welke mensen alleen door hun eigen belangen worden gedreven.

Voor Michéa is dit goed fatsoen het fundament waarop een moderne socialistische beweging moet worden gebaseerd. De ineenstorting van het sovjetisme betekent dus niet dat wij het socialisme nu moeten opgeven (34). De werkelijke oorzaak van de perversie die het socialisme in de geschiedenis heeft doorgemaakt, is niet dat het idee op zichzelf slecht of utopisch is, maar dat de socialistische beweging is overgenomen door de intellectuele klasse. Welnu, het idee dat de gemeenschappelijke moraal een burgerlijke mystificatie is, is […] het enige punt van overeenstemming onder linkse intellectuelen (35),(36). En als moraliteit in wezen “burgerlijk” is, dan kan men […] denken, […] met Lenin en Trotski, dat leugens en misdaad “moreel” kunnen zijn als zij “de Revolutie dienen” (37). Kortom, wat de linkse intellectuelen willen is voor eens en voor altijd een einde maken aan “de oude egalitaire versie van het socialisme” en […] de komst van een hiërarchische maatschappij bespoedigen waarin het uiteindelijk de intellectueel zou zijn die de zweep hanteert (38). Deze kaping van het socialisme door een kliek theoretici die uiteindelijk een nieuwe heersende klasse vormen, die uiteindelijk veel gelijkenis vertoont met de klasse die zij uit de macht hebben verdreven, is het hele thema van Orwell’s Animal Farm.

Michéa roept dus op tot een nieuw socialisme: een socialisme dat verlost is van de mythe van de “vooruitgang”, dat “populistisch” is, d.w.z. dat opkomt voor de belangen van allen die onderaan staan, dat de sociale gelijkheid en de individuele en collectieve vrijheden verdedigt en zich daarbij baseert op het “geven, ontvangen en teruggeven” (dat door de ontwikkeling van het liberale individualisme op rampzalige wijze teniet wordt gedaan), en dat eindelijk een vrije, egalitaire en fatsoenlijke samenleving kan opbouwen (39). Dat is dringend nodig, want als er niet snel een autonome volksbeweging […] aan de horizon verschijnt […] dan is de dag helaas niet meer veraf dat er bijna niets meer zal zijn om te beschermen tegen de klauwen van de wolf in de oude menselijke schaapskooi (40). Laten we dus proberen het filosofische werk van Jean-Claude Michéa te gebruiken voor de politieke doeleinden die het verdient.

Noten

1/ Volgens de ondertitel van zijn boek L’empire du moindre mal: essai sur la civilisation libérale, Climats, 2007.
2/ Gepubliceerd door Climats, in 2017.
3/ Dat is tenminste wat Wikipedia zegt.
4/ À voix nue, aflevering 1: La chance d’avoir des parents communistes, France Culture, 07/01/2019. De vijf afleveringen van deze (boeiende) reeks interviews zijn hier te beluisteren en te downloaden: http://ekouter.net/jean-claude-michea-a-voix-nue-sur-france-culture-4133
5/ Ook volgens Wikipedia.
6/ À voix nue, aflevering 2: Parijs avant les bobo’s, France Culture, 08/01/2019.
7/ Uitgegeven door Climats, in 1995. Heruitgegeven in 2020 met een ongepubliceerd nawoord.
8/ De Tories in Engeland zijn de conservatieven. “Tory anarchist” betekent dus conservatieve anarchist. Deze term werd door Orwell als grap geclaimd, maar is de beste definitie van zijn politieke temperament.
a/ Simon Leys, Orwell or the Horror of Politics, Plon, nieuwe ed. 2006. Geciteerd door Jean-Claude Michéa in Orwell, anarchiste tory, Climats, new ed. 2020.
9/ Nawoord bij Orwell, Tory Anarchist, Climats, nieuwe ed. 2020.
10/ Twee essays van Jean-Claude Michéa zijn uitdrukkelijk gewijd aan George Orwell: Orwell, een Tory anarchist (reeds geciteerd) en Orwell, opvoeder, Climats, 2003.
11/ / À voix nue, aflevering 5: Décroissance dans les Landes, France Culture, 11/01/2019.
12/ Volgens een formule uit die tijd, geciteerd door Jean-Claude Michéa in Le Complexe d’Orphée : la gauche, les gens ordinaires et la religion du progrès, Climats, 2011.
13/ Formule gebruikt door Thomas Hobbes in De Cive en geciteerd door Jean-Claude Michéa in Le Loup dans la Bergerie, Climats, 2018. De filosoof wijst erop dat dit idee in feite een ontlening is van Hobbes aan Plautus, in De komedie van de ezel: “De mens is een wolf voor de mens, en geen mens, totdat hij gekend is”. Zoals we kunnen zien, verandert het einde van de zin de betekenis, nogal aanzienlijk.
a/ Voor degenen die, zoals Koning Lot in de Kaamelott-reeks, graag in het Latijn willen pronken, is hier het citaat in het Frans: “Lupus est homo homini, non homo, quom qualis sit novit”.
14/ Het rijk van het minste kwaad, op. cit.
15/ Aristoteles: “De mens is een politiek dier”, geciteerd door Jean-Claude Michéa in Impasse Adam Smith: brèves remarques sur l’impossibilité de dépasser le capitalisme sur sa gauche, Climats, 2002. “Politiek” moet hier worden opgevat in zijn oorspronkelijke betekenis: “die leeft in en door een polis [een “stad” in het Grieks]”.
16/ L’empire du moindre mal, op. cit.
17/ Adam Smith Impasse, op. cit.
18/ “Privé ondeugden maken publieke deugden” schreef Mandeville in De fabel van de bijen. Dit idee vinden we ook terug bij Adam Smith (een van de eerste theoretici van het liberalisme), die van mening is dat het nastreven van egoïstische belangen bevorderlijk is voor de rijkdom van de volkeren (volgens de titel van zijn beroemde werk).
19/ Het Rijk van het Kleine Kwaad, op. cit.
20/ In Notre Ennemi: le Capital, Flammarion, coll. “Climats”, 2017, neemt Michéa ook het voorbeeld van pedofilie. In de jaren zeventig verdedigd door links, dat alle scheidslijnen tussen kind en volwassene wilde opheffen, wordt het nu beschouwd als de ergste misdaad. Aangezien het liberale recht verondersteld wordt op geen enkele morele waarde te zijn gebaseerd, kan niets ooit garanderen dat wat vandaag wordt gestigmatiseerd […] morgen niet zal worden verheerlijkt. [En vice versa.
21/ L’empire du moindre mal, op. cit.
22/ Natuurlijk ontkent Michéa helemaal niet de positieve aspecten van de emancipatie die het liberalisme toelaat. Het probleem is dat binnen dit kader de vrouwen bevrijd worden van de traditie om zich vervolgens te onderwerpen aan de tirannie van de mode.
a/ Christopher Lash, Culture de masse ou culture popluaire, geciteerd door Jean-Claude Michéa in La Double Pensée : retour sur la question libérale, Champs-Flammarion, 2008.
23/ Jean-Claude Michéa, Les Mystères de la gauche : de l’idéal des Lumières au triomphe du capitalisme absolu, Climats, 2013.
24/ Ik verwijs hier in het bijzonder naar het hoofdstuk van Onze Vijand: het Kapitaal, getiteld De Dreyfus-affaire, of het grote keerpunt van het socialisme. Evenals in alle boeken van Michéa, is deze kwestie van de historische gevolgen van de Dreyfus-affaire een van de centrale assen van zijn filosofie.
25/ In zijn gelijknamige boek: Le Complexe d’Orphée, gepubliceerd in 2011. In de Griekse mythologie is Orpheus een dichter wiens verloofde Eurydice op hun huwelijksdag stierf. Hij daalt af naar de onderwereld en overtuigt Hades, de god van de doden, om Eurydice aan hem terug te geven en hen beiden naar huis te laten gaan. Hades stemt toe op voorwaarde dat Orpheus niet omkijkt tot hij het dodenrijk heeft verlaten. Op het moment dat Orpheus op het punt staat de grens tussen de wereld van de doden en die van de levenden te overschrijden, kijkt hij om en ziet zijn verloofde voor zijn ogen verdwijnen, ditmaal voor de eeuwigheid. Jean-Claude Michéa noemt dit dus het chronische onvermogen van de hedendaagse linkse mens (de “progressieven” dus) om “achterom te kijken”, d.w.z. toe te geven dat het vroeger, op welk punt dan ook, beter had gekund.
26/ George Orwell, Wells, Hitler en de wereldstaat, augustus 1941. Geciteerd door Jean-Claude Michéa in Orwell, anarchiste tory, Climats, 1995.
27/ Orwell, Tory Anarchist, op. cit.
28/ Het Orpheus Complex, op. cit.
29/ Zie met name het hoofdstuk De laatste Marx van onze vijand: Het kapitaal, gewijd aan de ontmoeting tussen Karl Marx en de Russische populistena en de manier waarop deze hem ertoe bracht bepaalde punten in zijn theorie te corrigeren.
a/ “Populist” betekende in die tijd (en dat is wat de term letterlijk betekent) iemand die “de zaak van het volk” verdedigt. Zoals Michéa in het betreffende hoofdstuk zegt: het feit dat de term “populisme” vandaag de dag bijna unaniem door de media en de “academische” propaganda wordt beschouwd als een quasi-synoniem van extreem-rechts zegt […] veel over de omvang van de intellectuele contrarevolutie onder leiding van liberaal links.
30/ George Orwell, 1984. Michéa toont in Orwell, Tory Anarchist aan dat als Winston er niet in slaagt het systeem omver te werpen, dat juist komt doordat hij ondanks deze overtuiging, die hij in de roman meerdere malen herhaalt, niet op de proletariërs rekent om Big Brother te bestrijden.
31/ Adam Smith Impasse, op. cit.
32/ George Orwell, New English Weekly, 16 juni 1938. Geciteerd door Michéa in Orwell, anarchiste tory.
33/ Marcel Mauss, Essai sur le don, 1924, geciteerd door Jean-Claude Michéa in La Gauche et le Peuple: lettres croisées, Flammarion, 2014.
34/ Ook al heeft het stalinisme de term “socialisme” helaas in diskrediet gebracht. Michéa geeft dit toe in Les Mystères de la Gauche. Hij zegt zelfs, in dit boek en in andere, dat een beweging die de arbeidersklasse bijeen wil brengen, althans in het begin een ander woord zou kunnen (of moeten) gebruiken om zichzelf te beschrijven.
35/ Orwell, Tory Anarchist, op. cit.
36/ De manier waarop de intellectuelen van burgerlijk links vinden dat het volk burgerlijk is, is verbazingwekkend. Het is alsof de adel in 1789 de eisen van de Franse revolutionairen als “aristocratisch” had bestempeld. Een van de meest perfecte voorbeelden, in de afgelopen jaren, van dit totale gebrek aan zelfbewustzijn (wat de basis is van de term “bobo”: de bourgeois die denkt dat hij bohémien is) werd ons aangereikt door de onuitstaanbare Mathieu Kassovitz (een actief lid van deze kliek van “showbizz” die, van Florence Foresti tot Camélia Jordana, via Omar Sy en Adèle Haenel, pretendeert “rebelse” overtuigingen te hebben, over het algemeen meer maatschappelijk dan sociaal, terwijl ze even rijk of zelfs rijker zijn dan de bazen van de Cac 40), die de vrijheid namen om, bij het begin van de Gilets Jaunes-beweging, hen dat te vertellen (via Twitter): “Uw strijd is niet essentieel, het is bourgeois” (25 november 2018).
37/ Orwell, Tory anarchist, op. cit.
38/ George Orwell, James Burnham and the Menagerial Revolution, 1946. Geciteerd door Michéa in Le Complexe d’Orphée.
39/ Orwells woorden worden vaak overgenomen door Michéa, met name aan het eind van Onze vijand: het kapitaal.
40/ Le Loup dans la Bergerie, op. cit.

Bron: http://thibaut-bouquet-ecrivain.eklablog.com/introduction-a-la-pensee-de-jean-claude-michea-a211427546