50 jaar Bloody Sunday – Een onafgewerkte revolutie

Op 30 januari 1972 demonstreerden meer dan 10.000 mensen in de straten van Derry tegen de systematische discriminatie van de (hoofdzakelijk katholiek) Iersgezinde werkende klasse. Bovenop de jarenlange achterstelling in het toekennen van jobs en huisvesting kwam er een Brits interneringsbeleid, waarbij burgers die verdacht werden van IRA-betrokkenheid zonder vorm van proces of officiële aanklacht in gevangenissen werden vastgehouden en -met schendingen van elementaire rechten- werden ondervraagd. De mars ging naar Free Derry Corner in de nationalistische wijk Bogside, die door het leger werd omgeleid. Toen een verlaten gebouw, dat was ingenomen door leden van het Britse Parachuteregiment, het doelwit werd van stenengooiers, vuurden soldaten met scherp op de menigte. Hierbij raakten twee ongewapende mannen gewond. Soldaten staken vervolgens de barricades over en achtervolgden de burgers die probeerden te vluchten. Gepantserde voertuigen achtervolgden mensen tot in woonwijken en soldaten schoten hen neer. Vier soldaten van het anti-tank peloton achtervolgden burgers tot in Glenfada Park, het kleine plein omgeven door flats waar nu het Museum of Free Derry staat. Binnen een paar seconden hadden de soldaten de 26-jarige William “Willie” McKinney en de 22-jarige Jim Wray in de rug doodgeschoten. Wray, die waarschijnlijk al op de grond lag, werd vervolgens een tweede keer neergeschoten. Vier andere mannen werden ook neergeschoten en gewond, geen van hen stond tegenover de soldaten of vormde een bedreiging. In totaal werden 28 burgers neergeschoten, 13 stierven meteen ter plaatse en één enkele maanden later als gevolg van de verwondingen.

Het duurde decennia vooraleer de Britse regering toegaf dat de schietpartijen een “ongerechtvaardigde en niet te rechtvaardigen” aanval op onschuldige burgers waren, gepleegd door Britse soldaten. In 2010, na de publicatie van het Saville-onderzoek dat in 1998 startte, verontschuldigde toenmalig premier David Cameron zich voor wat er was gebeurd. “Je verdedigt het Britse leger niet door het onverdedigbare te verdedigen”, zei hij in het Lagerhuis. De soldaten hadden beweerd dat de burgers waarop zij het vuur openden IRA-leden waren die in het bezit waren van bommen en vuurwapens. Het gebrek aan gerechtigheid in de nasleep van Bloody Sunday leidde ertoe dat veel Iersgezinden uit de werkende klasse zich aansloten bij republikeinse paramilitaire groeperingen. Tot op vandaag wensen de families in het algemeen en de republikeinse politieke stroming in het bijzonder gerechtigheid en een veroordeling van de daders.

Het eerste tribunaal slaagde er niet in de soldaten noch de Britse regering ter verantwoording te roepen en steunde deze valse beweringen. Het uitgebreide Saville-onderzoek wees uit dat deze beweringen opzettelijk vals waren en dat de gedode mensen onschuldig waren. Ze waren ongewapend en op de vlucht. In 2019 was er sprake van om de voormalige Britse parachutist David Cleary, officieel bekend als “Soldaat F”, te vervolgen, beschuldigd van de moord op twee mannen op Bloody Sunday en de poging tot moord op vier anderen. Hij was de enige van de 17 betrokken Britse soldaten die in staat van beschuldiging werd gesteld. Families vochten de beslissing aan om negen van die soldaten niet te vervolgen, evenals de beslissing om soldaat F niet te vervolgen voor drie andere moorden en twee andere pogingen tot moord. Toen de ene soldaat na de andere in 2003 voor het Saville-onderzoek verscheen, werd het duidelijk dat de voormalige para’s deze laatste poging om de waarheid te achterhalen over wat er die dag was gebeurd, liever de nek wensten om te wringen. Bijna zonder uitzondering hielden zij zich afzijdig, hielden vast aan de getuigenis die zij in 1972 hadden afgelegd, herhaalden beweringen die al meermaals waren weerlegd en, wanneer zij in moeilijkheden kwamen, beriepen zij zich op vergeetachtigheid. Geen plausibele vergeetachtigheid, maar van een zeer selectief, ongeloofwaardig soort. “Soldaat F” pleegde meermaals meineed en had zijn verhaal al in 1972 aangepast, wetende dat er bewijslast in zijn richting zou wijzen. Het proces begon in september 2019. Begin juli 2021 werd door het Britse Openbaar Ministerie beslist dat Cleary, alias “Soldaat F”, niet zou worden voorgeleid… Andermaal werd het wantrouwen in het Britse rechtssysteem bevestigd.

De republikeinse Ieren hebben dan ook gelijk als ze stellen dat er van Britse kant niets verwacht hoeft te worden. Conservatieve politici hebben de vervolging van ex-militairen aan de kaak gesteld als “een heksenjacht”. Boris Johnson heeft beloofd de Human Rights Act te wijzigen, zodat die niet langer van toepassing is op sterfgevallen tijdens de Troubles, en beloofde ook nieuwe wetgeving in te voeren om een einde te maken aan “oneerlijke processen” tegen veteranen. Dit heeft het gevoel versterkt dat het leven en de rechten van de Iersgezinde werkende klasse in het bezette deel van Ulster niet worden gerespecteerd. De overeenkomst die de machtsverdeling in het door de Britten geïnstalleerde parlement in Stormont herstelde, bevat een toezegging om “de erfenis van het verleden aan te pakken”. Papier is gewillig, de inhoudelijke invulling ervan biedt de Britten nog ruime mogelijkheden om gerechtigheid verder te ontwijken. Nog steeds wordt aan loyalistische zijde aan veel jongeren bijgebracht dat het helemaal niet verkeerd was om de ongewapende burgers tijdens de Bloody Sunday mars neer te schieten. De optocht voor burgerrechten wordt er generatie na generatie als illegaal en dus ongewenst voorgesteld, vooral bevolkt door “terroristen”.

Veel van de families van de slachtoffers van Bloody Sunday zijn gestopt met de herdenkingsoptocht nadat het Saville-rapport hun geliefden onschuldig verklaarde, maar de optocht vindt elk jaar opnieuw plaats. Telkens gaat een massa de straat op om te vragen om gerechtigheid voor degenen die op Bloody Sunday werden gedood, door de stappen van de mars te volgen. De families van de slachtoffers van Bloody Sunday willen dat de hogere bevelhebbers voor de rechter worden gebracht, met name het voormalige hoofd van het Britse leger, generaal Michael ‘Mike’ Jackson, die op die dag de tweede bevelhebber was en die ervan wordt beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor een doofpotoperatie waarbij de slachtoffers de schuld kregen. Jackson is ook ondervraagd over een vermeende doofpotaffaire omtrent het bloedbad van Ballymurphy in 1971, waarbij soldaten 10 burgers doodschoten, en er loopt nog een onderzoek (hij heeft dit afgedaan als een “belachelijke beschuldiging”). Jackson leeft vandaag veilig en wel in het Belgische Henegouwen, het hoeft geen betoog dat de Belgische staat hun Britse vrienden zal helpen en de man blijvend zal beschermen tegen eventuele vervolging.

800 jaar plunderen, discrimineren, moorden,… heeft bij Ieren geleid tot een overlevering van wantrouwen t.a.v. Groot-Brittannië en de Britse betrokkenheid bij Ierland van generatie op generatie. Het gebrek aan verantwoording, in combinatie met de weigering van opeenvolgende Britse regeringen om informatie vrij te geven over de ontegensprekelijke collusie tussen de staatstroepen en de loyalistische paramilitairen, zware juridische en politionele blunders met onterechte veroordelingen van Iersgezinden als gevolg,… creëren een voortdurend gevoel van onrechtvaardigheid, zelfs bij jonge generaties zowel in de Ierse Vrijstaat als in noordelijk Ierland. Het voedt een blijvend wantrouwen jegens de ordediensten en vijandigheid jegens de Britse invloed aan beide zijden van de kunstmatige grens. Er is een aanhoudende overlapping tussen de elites in de Ierse vrijstaat en de Britse private en publieke elite. Zo was bijvoorbeeld de huidige chef van de Ierse politie An Garda Siochana, Drew Harris, voordien actief in het noorden bij de PSNI, de enkel in naam verschillende opvolger van de gehate RUC. De Ierse Vrijstaat maakt gebruik van zogenaamde Diplock Courts waar naast maffiosi ook republikeinse verdachten zonder tegenspraak die naam waardig, puur op basis van een magistratenoordeel voor vele jaren achter tralies kunnen verdwijnen, enz….

De meerderheid van de bevolking in noordelijk Ierland heeft tegen Brexit gestemd, en dit heeft de roep om een referendum over de Britse grens op het eiland en over hereniging weer doen oplaaien. Velen zien een verenigd Ierland nu als een haalbare realiteit tijdens hun leven maar gaan voorbij aan het feit dat indien er al een referendum komt, het de Britse autoriteiten zullen zijn die over vraagstelling en over de consequenties van het eventuele resultaat zullen beslissen. De Ierse kwestie is in haar specifieke omstandigheden een langjarige leerschool over de mislukking van burgerlijk parlementair nationalisme en de noodzaak van een revolutionaire aanpak. Gerechtigheid zullen de Bloody Sunday-slachtoffers en families pas echt krijgen bij de vestiging van een soevereine, herenigde Ierse socialistische republiek.